Langstuderen en zesjes, een noodzakelijk gevolg van het systeem?

Snel afstuderen, rendementverhoging, afstudeerboetes en zesjescultuur zijn actuele onderwerpen in het hoger onderwijs. De discussie suggereert dat de Nederlandse student maar wat aanklooit en eens serieus werk moet maken van studeren. Als een studie vier jaar duurt, dan moet het ook in vier jaar. Langer studeren kost geld en dat moet voorkomen worden.

Een van de kernbegrippen in die discussie is rendement. Onder rendement wordt het percentage studenten verstaan een opleiding haalt of voor een tentamen slaagt. Hogescholen en universiteiten worden aangespoord het rendement te verhogen. Als een student zich inschrijft en tijdens de studie uitvalt, of langer over de studie doet dan de gestelde studietijd dan is dat slecht voor het rendement.

Na vier jaar krijgt een opleiding voor de zogenaamde ‘langstudeerder’ niet meer betaald. Die studenten kosten wel docenttijd en organisatie, en dus geld. De onderwijsinstelling wordt beboet zodra een student langer dan een extra jaar is ingeschreven. Dus het loont om studenten zo snel als mogelijk te laten afstuderen. De studenten zelf worden aangespoord zo snel mogelijk af te studeren door kortingen op studiefinanciering, verhoging van collegegeld.

Bovenstaande visie en maatregelen zijn volgens mij gebaseerd op een aantal uitgangspunten.

Er wordt vanuit gegaan dat elke student in staat is om binnen de gestelde tijd af te studeren. Bij studiebeperkende situaties, handicaps en andere ongemakken zijn speciale regelingen, en een opleiding doet alles om de individuele student zo snel als mogelijk te laten afstuderen. Studiebegeleiding, extra lessen, langere tentamentijd bij dyslexie en dergelijke zijn voorbeelden daarvan.

Toch dienen opleidingen wel ervoor te zorgen dat iedere afgestudeerde voldoende kennis en ervaring in het beroepsveld of wetenschappelijke discipline heeft. Wat ‘voldoende’ is wordt op papier geborgd door competenties, niveau van de vakken, stages en afstudeerscripties.

Waarom langstudeerders?

Als iedere student binnen de nominale tijd kan afstuderen, waarom studeren zoveel studenten langer? Het standaardantwoord is men dat aan zichzelf te danken heeft, zoals onvoldoende studiehouding en te veel tijd besteden aan andere zaken dan de studie. Dat zal voor een groot deel ook de reden zijn.

Volgens mij is er nog een andere oorzaak. Een oorzaak die zulk een fundamenteel onderdeel is van het onderwijssysteem dat het niet opvalt: rendement van individuele tentamens. Naast langstuderen heeft deze systeemeigenschap een ander gevolg: de zesjescultuur.

Tentamenrendement

Om het diploma van voldoende niveau te laten zijn heeft iedere toets of tentamen een zekere moeilijkheidsgraad. Het tentamen dient te toetsen of het geleerde beheerst wordt en het dient onderscheid te maken tussen degenen die de stof onvoldoende  en voldoende beheersen. De eerste functie wordt formatief genoemd, de tweede summatief. Summatieve tentamens leiden tot uitkering van studiepunten en dienen bij onvoldoende resultaat herkanst te worden. De grens waarbij het onderscheid gemaakt wordt, wordt cesuur genoemd, welbekend als de 5,5.

Het niveau van tentamens is niet volledig vast te stellen en onderling te vergelijken. Een tentamen is geen fysisch meetinstrument zoals een thermometer. Een fysisch meetinstrument is gekalibreerd aan een standaard, tentamens kunnen niet vergeleken worden met een standaard. Dus de normering is niet eenvoudig en wordt, bewust of onbewust, bijgesteld. Een norm die wel meetbaar is, is tentamenrendement en wordt daarom als een indicator gebruikt voor niveau van het vak en het tentamen.

Het tentamenrendement is onderhevig aan een aantal krachten. Studenten zullen tijdens leren hun kennis en vaardigheden optimaliseren voor het aankomend tentamen. En docenten zullen de zwaarte van het tentamen zo kiezen dat de cesuur een onderscheid maakt tussen de goede en slechte student op dat moment. Mocht het rendement te hoog zijn, dan is het van te laag niveau en worden de opvolgende tentamens zwaarder. De redenering van de docent of de opleiding is dat dat studenten meer aankunnen. Of de geloofwaardigheid, die afneemt bij te grote slagingskans, van het vak kan omhoog. Mocht het rendement te laag zijn dan is het tentamen te moeilijk en worden opvolgende tentamens makkelijker omdat het vak blijkbaar te zwaar is. Vakken met een te laag rendement zullen gemeden worden door studenten, want snel studeren is gewenst, is de redenering.

Kortom, tentamens zullen onder invloed van bovenstaande factoren een zeker rendement vertonen dat niet te hoog en niet te laag is.

Herkansingen

Zodra een tentamen een rendement lager dan 100% heeft, zal een percentage studenten zakken. Redenen daarvoor zijn uiteraard niet beheersen van de getentamineerde stof, maar ook de normering die het gevolg is van een ‘redelijk’ rendement zoals hierboven beargumenteerd. De mate van beheersing van de stof is beïnvloedbaar door de student, de normering niet. De eerste factor is het “het ligt aan de student”-argument. De tweede factor is een gevolg van het systeem.

De gezakte studenten zullen meedoen met de herkansing. Herkansingen zijn onder dezelfde krachten onderhevig als de eerste kansen. Bijkomende factoren die het rendement beïnvloeden zijn lager niveau van de deelnemers, ze waren immers al een keer gezakt, en betere voorbereiding van de deelnemers, ze hebben nog beter geleerd. Een herkansing mag geen 100%-rendement vertonen, dat zou suggereren dat de eerste keer zakken niet zo erg is, want voor de herkansing slaagt iedereen toch wel. Dus ook het herkansingstentamen heeft een ‘redelijk’ rendement en zwaarte die vergelijkbaar dient te zijn met de eerste kans.

Zesjescultuur

De veel genoemde oorzaak van zogenaamde zesjescultuur is gebrek aan drang tot excelleren. Studenten leren voor een zes, omdat dat voldoende is om voor het vak te slagen. Echter, het effect van tentamenrendement is ook van invloed op het gemiddelde en meest behaalde cijfer.

De resultaten zullen grotendeels verdeeld zijn volgens de normaalverdeling met de meeste tentamenresultaten rond het gemiddelde en twee staarten. De staarten zijn de beste en de slechtste studenten, met een grote hoeveelheid middelmatige studenten  tussen die twee extremen.

Indien het tentamenrendement de keuze van de cesuur beïnvloedt zal, bij een tentamenrendement van ongeveer 70% de 5,5 zich onder het gemiddelde bevinden.  Afhankelijk van de spreiding zal gemiddelde cijfer rond de 6 a 7 zitten en het grootste gedeelte van de getentamineerden een ‘zesje’ halen.

Ten tweede wordt keuze van de cesuur bepaald door de noodzaak de slechtste studenten niet te laten slagen en de beste student niet te laten zakken. Dat betekent dat de cesuur tussen de twee staarten van de verdeling geplaatst gaat worden, waardoor het gemiddelde noodzakelijkerwijs uitkomt op een 6.

Slechte studenten zakken (cijfers 5 of lager), goede studenten slagen (5,5 of hoger). Gemiddelde is 6,5. In deze verdeling zakt 20%.

Er is dus nog tweede oorzaak aan te wijzen die ervoor zorgt dat het grootste gedeelte van de getentamineerden een 6 haalt: de zak-slaag-grens op de 5,5 in combinatie met de rendementseis en de normaalverdeling van de resultaten.

Toeval

Doordat een het grootste deel van de cijfers om en nabij de cesuur ligt, zal de invloed van een halve punt afwijking groot zijn op het aantal geslaagden. Daardoor is het redelijk eenvoudig om bij een kleine wijziging van gewichten in de beoordeling het rendement aan te passen zonder de cijfers veel te wijzigen. Die wijziging kan bewust zijn, maar er is ook een groot invloed  aan toeval te wijten. Dit is een bekend fenomeen bij toetsen, zeker bij tentamens met meerkeuzevragen.

Voor de individuele student zal de toevalsfactor er voor zorgen dat de zekerheid op slagen of zakken voor een tentamen bij goede voorbereiding afneemt.

Als gevolg van toeval zal een zeker percentage zakken dat op basis van stofbeheersing had dienen te slagen, waardoor voor diegenen de gemiddelde studietijd langer is dan gewenst.

Langstuderen

Degenen die zakken zullen deelnemen aan de herkansing. Daarvan zal een deel zakken en deelnemen aan de derde kans. Ook daarvan zal weer een percentage zakken dat zal deelnemen aan de vierde kans. Enzovoort. Bij grote hoeveelheden studenten er dus altijd een percentage zal zijn dat langer zal studeren dan gewenst. Hoe groot dat percentage is zal afhankelijk zijn van de feitelijke tentamenrendementen en het aantal vakken dat leidt tot het diploma.

De individuele student zal waarschijnlijk na deze beschouwing een schouderophalende houding hebben: Voldoende leren zorgt ervoor dat het tentamen gehaald wordt, niet toeval of rendement.  ‘Rendement’ heeft geen betekenis bij individuele studenten, het heeft alleen betekenis bij grote aantallen.

Wordt vervolgd.

 

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

One Response to Langstuderen en zesjes, een noodzakelijk gevolg van het systeem?

  1. derk says:

    interessante analyse! als ik het goed begrijpvwordt de zesjescultuur eigenlijk veroorzaakt door het idee dat er winners en losers zijn. beetje het liberale wereldbeeld dat er zo toe leidt dat in het onderwijs automatisch middelmaat wordt geproduceerd. maar het is wel een inzicht dat fundamentele conseuqenties zou kunnen (moeten?) hebben mbt financiering en toetsing…

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *