Waarom de langstudeerboete immoreel is.

Studenten die langer studeren dan nodig hebben dat aan zichzelf te danken menen we. Te veel in de kroeg gezeten, of te veel andere dingen gedaan zoals werken in plaats van studeren. Ze kunnen best een jaar extra over hun studie doen, maar dan moet het ook gedaan zijn. Nog langer studeren? Prima dat kan, maar dan wel extra betalen: de langstudeerboete. Voor niets gaat de zon op.

Tegenstanders werpen op dat extracurriculaire werkzaamheden zoals bestuursfuncties van een studentenvereniging nu worden afgestraft. Besturende studenten zijn zoveel tijd kwijt met besturen dat ze langer over hun studie doen en dus een langstudeerboete moeten betalen. Of deeltijdstudenten, die naast hun baan studeren doen zoveel langer over hun studie dan nominaal dat ze tegen de langstudeerboete aanlopen.

Dat zijn allemaal valide argumenten tegen de langstudeerboete. Nu ja, nuancering van de langstudeerboeteregeling, want het idee dat te lang studeren dient te worden beperkt lijkt algemeen aanvaard.

Ik vind de langstudeerboete immoreel.

Met immoreel bedoel ik dat onderwijs in dat systeem niet voor iedereen vrij en gelijk toegankelijk is. Daarmee bedoel ik niet nevenfuncties of andere omstandigheden zoals deeltijdstudies, daarvoor kunnen uitzonderingen gemaakt worden. Nee, het is immoreel omdat grote groepen studenten die de keuze voor studievertragende omstandigheden niet gemaakt hebben onvermijdelijk met de langstudeerboete geconfronteerd zullen worden.

Dat zit zo: in het hoger onderwijs zijn een aantal wetmatigheden die hiertoe leiden.

Ten eerste wordt een vak afgesloten met een toets, in de vorm van een tentamen of anderszins. Elke toets heeft een zeker moeilijkheidsniveau, een percentage studenten zal slagen en een percentage zal zakken.  Indien het percentage geslaagden te groot wordt zal de toets moeilijker worden en indien teveel zakken zal de toets, of het onderwijs, makkelijker worden. Door deze ongeschreven wetmatigheid is het percentage geslaagden per toets redelijk constant en onafhankelijk van de kwaliteit van de studenten. Een redelijke norm is 70% geslaagden per toets.

Een toets is niet onfeilbaar. Elke toets is onderhevig aan relatieve  meetfouten ofwel statistische variatie als gevolg van toevalligheden en meetonzekerheden. Een 5,5 had bij een identieke toets met andere vragen een 5,0 of 6,5 als resultaat kunnen geven. Er zullen dus studenten zijn die toevallig slagen en toevallig zakken. Bij een goede toets wordt voor deze variatie gecorrigeerd, maar het is nooit helemaal te vermijden. Dat betekent dus dat er studenten zullen zijn die onterecht zakken.

Ten tweede is er de mogelijkheid tot herkansing. In elke onderwijs- en examenregeling staat dat een vak twee kansen kent per studiejaar. Hieruit volgt dat voor elke toets een zeker percentage zakt, en van degenen die gezakt zijn zal weer een percentage zakken voor de herkansing. Ook de herkansing heeft geen 100%-slagingskans anders zou ook deze ongeloofwaardig zijn. Stel een toets heeft een slagingspercentage van 70%, dan slaagt in een studiejaar 91% (0,7+0,3 x0,7 = 0,91) voor dat vak. Ofwel, 9% van alle studenten haalt een vak niet in een studiejaar.

Een derde eigenschap is het studiepuntensysteem. Elke gehaalde toets wordt beloond met een aantal studiepunten, officieel ECTS genoemd. Alle toetsen in een volledig studiejaar zijn samen 60 studiepunten waard.

Het eerste studiejaar is bedoeld voor selectie en oriëntatie. Veel opleidingen kennen een regeling waarbij een student van de opleiding wordt verwijderd indien hij of zij te weinig studiepunten haalt. De trend is de grens steeds te verhogen, vorig jaar was bij veel opleidingen de norm om 40 punten uit 60 te halen, dit jaar 45 uit 60 en volgend jaar wellicht 50 uit 60. Sommige studies kennen zelfs 60 uit 60 punten. Studenten die de norm niet halen en de opleiding verlaten worden gezien als uitval en verlagen het rendement.

Omdat een toets een rendement heeft dat lager is dan 100% en gezakten als gevolg van statistische variatie kent, zullen er studenten zijn die aan het einde van de propedeuse een of meer vakken nog niet hebben gehaald. Ongeacht de kwaliteit van de studenten.   Enkelen zullen genoeg punten hebben om door te gaan, anderen niet.

Degenen die niet door kunnen en wel willen doorstuderen, dienen zich in te schrijven bij een andere studie en zijn genoodzaakt sneller te studeren vanwege de langstudeerboete. Wat praktisch onmogelijk is omdat bij de alternatieve opleiding dezelfde wetmatigheden gelden. Daardoor hebben zij een grotere kans met de langstudeerboete geconfronteerd te worden.

Indien per jaar duizenden studenten beginnen met studeren zal een klein percentage uitvallen in het propedeusejaar vanwege toetsrendementen. Deze studenten weren van de opleiding door middel van selectie voorkomt deze uitval niet.  De toetsen zullen namelijk, onbewust volgens de ongeschreven wetmatigheid, aangepast worden aan de kwaliteit van de studenten en zwaarder worden zodat het toetsrendement constant en geloofwaardig blijft.

Omdat een zeker percentage genoodzaakt is de langstudeerboete te betalen vanwege ‘het systeem’ is het hoger onderwijs niet voor iedereen vrij en gelijk toegankelijk.

Daarom is de langstudeerboete immoreel.

Zie ook Langstuderen en zesjes, een noodzakelijk gevolg van het systeem?

This entry was posted in Uncategorized and tagged , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *